Terug naar Nieuws

Van 18 graafschades per maand naar 2

06-05-2026 10:45
Verhalen uit de keten

Hoe Liander en Van Gelder het samen voor elkaar krijgen

Amsterdam staat voor een enorme operatie. Voor de energietransitie vervangt Liander 1.600 kilometer aan elektriciteitskabels en plaatst 1.000 nieuwe transformatorhuisjes. Daardoor wordt het onder de stad nog drukker en kwetsbaarder dan het al was. Toch lukte het de netbeheerder om samen met aannemer Van Gelder Groep het aantal graafschades sterk te verminderen: van gemiddeld 18 per maand naar 2.

Hoe krijgen ze dat voor elkaar? Niet door pas in actie te komen als het misgaat, maar door vooraf beter te sturen op voorbereiding, planning en uitvoering. En door anders naar fouten te kijken.

We spreken graafschadespecialist Boris van der Pijl en teamleider Sergio Donk van Liander, en veiligheidskundige Nita Sardjoe van Van Gelder, in de Lootsstraat in Amsterdam. Buiten worden nieuwe elektriciteitskabels gelegd. Binnen, in de keet, staat de koffie klaar. De sfeer is ontspannen, maar het onderwerp is serieus. 

Eerst begrijpen waar het misgaat

Volgens Boris van der Pijl begon de verbetering met inzicht. “Je moet eerst weten waar het fout gaat,” zegt hij. “We zagen dat mensen de KLIC niet altijd goed begrepen omdat ze geen idee hadden hoe de KLIC-app werkt. Of dat ze dachten dat de KLIC de absolute waarheid was. Maar dat is niet zo. Kabels kunnen afwijken. Soms staan ze niet goed op tekening.”

Vooral laagspanningskabels en huisaansluitingen bleken kwetsbaar. In Amsterdam is het net voor openbare verlichting vaak aangesloten op het laagspanningsnet. Door jarenlange aanpassingen aan lantaarnpalen — verplaatsen, vervangen, opnieuw aansluiten — zijn niet alle aansluitkabels goed vastgelegd. Soms liggen ze niet op de verwachte diepte. Soms ligt er overlengte opgerold naast of rond een lantaarnpaal.

Ook huisaansluitingen zijn niet altijd eenvoudig terug te vinden. Ze staan vaak wel in de KLIC, maar regelmatig zonder duidelijke maatvoering. Dan blijft het zoeken.

“Dat is deels een erfenis uit het verleden,” zegt Van der Pijl. “Gemeenten beheerden vroeger hun eigen energienetten. Die geschiedenis kom je nu nog steeds tegen in de ondergrond.”

De KLIC is een beginpunt, geen eindpunt

Een belangrijke les is daarom dat de KLIC geen absolute waarheid is. De KLIC is onmisbaar, maar moet goed worden geïnterpreteerd. En wat op papier staat, moet buiten worden gecontroleerd.

Daar ging het in de praktijk regelmatig mis. Mensen deden aannames zonder die te verifiëren. Ze begrepen de gegevens niet goed. Of ze hadden onvoldoende ervaring om te zien waar het risico zat.

Sergio Donk noemt dat de kloof tussen binnen en buiten. “Op kantoor kun je niet altijd inschatten wat er buiten gebeurt,” zegt hij. “Je ziet niet dat asfalt vastzit aan een onderdeel van een gasleiding. Of dat een put na regen vol water staat. Buiten zie je pas hoe ingewikkeld het echt is.”

Die praktijkkennis is cruciaal. Want schade ontstaat niet alleen door een graafmachine die een kabel raakt. Vaak begint het eerder: bij een onduidelijke instructie, een verkeerde aanname, te weinig voorbereiding of onvoldoende vakmanschap.

Voorsteken is een vak

Een terugkerend punt in de gesprekken is voorsteken. Dat klinkt eenvoudig, maar is het niet. “Voorsteken is een vak,” zegt Van der Pijl. “En dat vak wordt vaak onderschat. Als je niet goed voorsteekt, kan een graafmachinist alsnog kabels lostrekken of beschadigen. Dat risico is groter als kabels anders liggen dan verwacht. Bijvoorbeeld als ze niet goed op tekening staan of minder diep liggen dan het profiel of de norm voorschrijft.”

Daarom is er meer aandacht gekomen voor opleiding. Nieuwe mensen leren niet alleen wat ze moeten doen, maar ook waarom. Liander werkt met buddy’s. Nieuwe medewerkers lopen mee met ervaren collega’s, die hun de kneepjes van het vak bijbrengen. Ook zetten Liander en Van Gelder toolboxen, workshops en praktijkinstructies in. Ze doen dat niet alleen in het Nederlands. Waar nodig komt er een tolk bij voor de vertaling in het Bulgaars, Turks, Grieks of Pools.

Voor Sardjoe zit daar de kern. “De kwaliteit hangt sterk af van je opleiding,” zegt ze. “Je kunt alles mooi op papier hebben staan, maar het gaat om de praktijk. Je moet mensen begeleiden tot ze het vak beheersen. Voorsteken is een vak. Dat vakmanschap komt niet vanzelf. Dat moet je leren en onderhouden. Dus blijven we herhalen.” Die aanpak is bewust praktisch: uitleg op de werkplek, samen kijken, herhalen en controleren of iemand het echt begrijpt.

Niet vragen: “Is het duidelijk?”

Ook de startwerkvergadering is veranderd. De ploegen staan nu nadrukkelijker stil bij de risico’s in de ondergrond, bij mogelijke afwijkingen in de KLIC en bij de manier van werken. Maar alleen vragen of iets duidelijk is, is niet genoeg. “Veel mensen zeggen dan ja,” zegt Van der Pijl. “Ook als ze het niet helemaal hebben begrepen.”

Dat kan te maken hebben met taal, cultuur, schaamte of groepsdruk. Niemand wil in een groep dom overkomen. Zeker niet als de planning strak is en iedereen door wil.

Daarom helpt het om de vraag anders te stellen. Niet: “Heb je het begrepen?” Maar: “Kun je in je eigen woorden vertellen wat we gaan doen en waar de risico’s zitten?”

Dat lijkt klein, maar het maakt een groot verschil. Het dwingt mensen om actief na te denken. En het geeft leidinggevenden de kans om misverstanden meteen te corrigeren.

Taal en cultuur tellen mee

Door de grote hoeveelheid werk komen er steeds meer mensen uit het buitenland bij. Zij spreken niet altijd Nederlands en kennen de Amsterdamse ondergrond niet. Dat maakt goede instructie extra belangrijk. Liander en Van Gelder besteden daarom meer aandacht aan taalbarrières. Soms gaan instructeurs met een tolk mee naar buiten. Dat heeft zichtbaar effect.

“Ik zie dan ineens dat mensen begrijpen hoe de KLIC-app werkt,” zegt Van der Pijl. “En wat ze daarmee kunnen doen.” Het gaat niet alleen om vertalen, maar ook om aansluiten bij de praktijk van de mensen die het werk doen. Wat zien zij buiten? Waar lopen zij tegenaan? Wat hebben zij nodig om veilig te kunnen werken?

Nita Sardjoe vat het samen in één woord: aandacht. “Je moet tijd nemen voor mensen,” zegt ze. “Even samen koffie drinken. Dan hoor je wat er speelt. We werken met professionals. Zo gaan we ook met elkaar om.”

Van schuld zoeken naar samen leren

Misschien zit de belangrijkste verandering wel in de cultuur. Liander en Van Gelder registreren graafschades niet alleen. Ze bespreken ze ook. Niet om iemand aan te wijzen, maar om van te leren. Wat gebeurde er? Welke aanname klopte niet? Was de instructie duidelijk? En wat kunnen we morgen anders doen?

“Fouten kunnen worden gemaakt,” zegt Van der Pijl. “Maar je moet ze wel goed analyseren. Daarvoor is vertrouwen en openheid nodig. Pas dan kun je van elkaar leren.”

Sergio Donk herkent die manier van werken. “We voeren verbeteringen stap voor stap in. Bij elke stap kijken we of het werkt. Dat noemen we agile werken.” Die lerende aanpak vraagt vertrouwen. Mensen moeten afwijkingen durven melden. Ze moeten kunnen zeggen dat ze iets niet begrijpen. En ze moeten het gevoel hebben dat Liander niet komt controleren om hen af te rekenen, maar om samen schades te voorkomen.

“Als mensen ons zien als boemannen, werkt het niet,” zegt Van der Pijl. “We zijn er niet om ze lastig te vallen. We zijn er om ervoor te zorgen dat ze veilig kunnen werken.”

Samenwerking betaalt zich terug

De maatregelen kosten tijd. Beter voorbereiden, extra controleren, mensen opleiden, gesprekken voeren: het lijkt allemaal vertraging op te leveren. Maar volgens de betrokkenen verdient het zich juist terug. Een uur extra voorbereiding kan voorkomen dat een project een halve dag stilligt. Een beter kabel- en leidingonderzoek kan schade, herstelkosten en frustratie voorkomen. En een goed opgeleide ploeg werkt uiteindelijk veiliger én sneller.

Sardjoe ziet dat ook. “Als je goed samenwerkt, zijn de kosten aan het eind echt lager,” zegt ze. “Goede samenwerking zorgt voor ruimte om het werk zorgvuldig voor te bereiden en mensen goed op te leiden. Daar werkt de directie graag aan mee, omdat het niet alleen goed is voor de mensen in het veld, maar voor alle betrokkenen.”

Voor Sardjoe hoort waardering daar ook bij. “Als een ploeg zorgvuldig werkt en weinig schades maakt, moet je dat laten merken,” zegt ze. Daarom vieren Liander en Van Gelder successen bewust. Soms staat er een foodtruck op het werk. Of komt er een barista langs met speciale koffie. Het signaal is duidelijk: veilig en zorgvuldig werken telt.

Van reactief naar proactief

Sergio Donk ziet dat de veiligheidscultuur is veranderd. Vroeger kwamen mensen vooral in actie na een incident. Nu denken ze vooraf beter na over risico’s en oplossingen. “We werken proactief aan minder schades,” zegt hij. “Veiligheid en gezondheid staan centraal. Dat is een geweldige verbetering. Op de veiligheidsladder stonden we op trede 2, nu staan we op 4.”

De cijfers laten zien dat die aanpak werkt. Maar niemand denkt dat het werk nu klaar is. Graafschades helemaal voorkomen is volgens Van der Pijl een utopie. Daarvoor is de ondergrond te complex en het werk te veranderlijk. De uitdaging is nu om het niveau vast te houden. “Dat blijft extra inspanning vragen,” zegt hij. “Leidinggevenden moeten het momentum erin houden. Mensen moeten gemotiveerd blijven om het goede te doen.”

Ook Sardjoe waarschuwt voor routine. “Je moet constant in gesprek blijven,” zegt ze. “Routine is gevaarlijk.”

De les voor de sector

Wat kunnen andere netbeheerders, grondroerders en gemeenten leren van dit verhaal?

De belangrijkste les is misschien dat graafschadepreventie niet alleen een technisch vraagstuk is. Natuurlijk zijn goede tekeningen, KLIC-meldingen, onderzoeken en werkinstructies belangrijk. Maar uiteindelijk draait het ook om gedrag, vakmanschap en samenwerking.

Het begint met de vraag: begrijpen we echt wat er buiten gebeurt? Daarna komt de rest: betere voorbereiding, betere instructies, beter voorsteken, afwijkingen melden, fouten analyseren, lessen herhalen en successen vieren.

Van der Pijl hoopt dat het Amsterdamse voorbeeld anderen inspireert om ook actief aan de slag te gaan. “Graafschades zijn aan de orde van de dag,” zegt hij. “Het gaat erom hoe we het bewustzijn vergroten en hoe we ermee omgaan. Het begint met een bak koffie en een gesprek. Daarna komen de verhalen, de ideeën, de inspiratie en uiteindelijk de stappen om te verbeteren. Het gaat niet in één dag. Het is een proces van jaren waar iedereen zijn aandeel in heeft.” Sardjoe sluit zich daarbij aan. “We laten zien dat we het samen wél voor elkaar krijgen om de schades te verminderen. En dat is goed voor ons allemaal.”

De Amsterdamse aanpak laat zien dat minder graafschades niet begint met één extra procedure. Het begint met beter kijken naar de praktijk. Naar de kabel die niet goed op tekening staat. Naar de grondwerker die een instructie niet helemaal begrijpt. Naar de machinist en de grondwerker die even geen oogcontact hebben. En naar de ploeg die tijd nodig heeft om het vak goed te leren.

Maar vooral begint het met de bereidheid om samen te blijven leren. De daling van 18 naar 2 schades per maand is indrukwekkend. Het echte succes zit in de manier waarop die daling tot stand kwam.

De mensen van netbeheerder Liander en Van Gelder Groep weten elkaar steeds beter te vinden. In het artikel spreken we met Boris van der Pijl (3e van links), Sergio Donk (4e van links) en Nita Sardjoe (rechts)

De mensen van netbeheerder Liander en Van Gelder Groep weten elkaar steeds beter te vinden. In het artikel spreken we met Boris van der Pijl (3e van links), Sergio Donk (4e van links) en Nita Sardjoe (rechts)